Bakkerij Blankendaal

Bakkerij Blankendaal, waar bakken nog een ambacht is...
020-6790172    [email protected]

Bij ons in Zuid...

 

Een bakker is soms net een mens en net als de meeste mensen hebben zij ook hobby’s. Eén van mijn hobby’s is schrijven, dus hoop ik u wekelijks te verrassen met een stukje onder de rubriek Bij ons in Zuid…

 

Er zijn van mij ook twee boeken verschenen:

Help mijn dochter pubert (ook in het Engels verschenen)

en

Oh, Eerwaarde

Beiden zijn te koop bij elke erkende boekhandel, bij Bol.com, bij Ako.nl, bij Bruna.nl, etc.

Mocht u een gesigneerd exemplaar willen kunt u altijd een boek in onze winkel kopen, ik signeer het dan graag voor u!

Een aantal van de eerder geplaatste stukjes in deze rubriek zijn gebundeld in het boekje 

Zadelpijn in Zuid.

Dit boekje is bij ons te koop voor 14,95

 

Uiteraard zijn deze verhaaltjes pure fantasie en niet gebaseerd op de werkelijkheid

overzicht:  volledig / samenvatting

Thérèse

Geplaatst op 11 januari, 2021 om 4:15 Comments reacties (0)

Thérèse,

 

Thérèse van Ammerzoden heette ze, ongeveer van halverwege de zestig en haar man bekleedde een hoge positie bij de Nederlandsche Bank. Ze woonde in de Vondelstraat. Drie maal per week kwam ze brood en wat lekkers halen. Ondanks haar wat geaffecteerde stem was ze altijd heel vriendelijk. Zelfs wanneer ze ’s woensdag ging tennissen droeg ze nog haar parelketting onder haar trainingspak. Onlangs stond ze weer in de winkel, ze kocht drie verschillende broden, vier gebakjes, een ontbijtkoek, vier gevulde koeken en een rozijnbrood. Terwijl ik de bedragen op de kassa aansloeg kwam er een man de winkel binnen. Hij was gekleed in een spijkerbroek en een gewatteerd blauw jack en droeg hoge bergschoenen. Op zijn hoofd droeg hij een zwart mutsje waaronder zijn grijze haren verward uit piekten. Hij liet zijn blik over Thérèse gaan en keek toen nog wat aandachtiger, ‘Verrek ben jij dat Trees?’, vroeg hij toen. Thérèse keek om, ‘Pardon?’, zei ze met hoog opgetrokken wenkbrauwen. De man kreeg een brede smile op zijn gezicht, ‘God meid, dat is lang geleden, ken je me niet meer, ik ben Jaap.’ Hij trok zijn mutsje af om haar te overtuigen. Thérèse keek hem koel aan, ‘Ik denk dat u me verward met iemand anders.’ Jaap keek nu fronsend, ‘Ga toch weg, we zaten begin jaren tachtig in dat kraakpand op de Nieuwmarkt. We flikkerden nog samen die oude koelkast en de rest van het meubilair naar beneden toen de ME kwam. Je maakt mij niet wijs dat je dat niet meer weet.’ Thérèse keek nu erg ongemakkelijk, ‘Nogmaals u moet mij verwarren met iemand anders,’ en zich tot mij wendend, ‘hoeveel krijgt u, bakker?’ Ze rekende af en verliet de winkel, Jaap geen blik waardig keurend. Jaap keek haar peinzend na, ‘Ik weet zeker dat zij Trees is, ik vergeet nooit een gezicht. Ze was vroeger een stoot hoor, en seks…, nou ze lustte er wel pap van. Soms lag ze bij drie kerels in één nacht.’ Hij schudde zijn hoofd, ‘Dat was wel een mooie tijd, maar ja, we waren ook een beetje van het padje. Elke dag blowen, en maar ouwehoeren over wat er allemaal mis was met de maatschappij. Maar zelf aan het werk gaan, ho maar. We keken neer op die loonslaven…, maar ja verstand komt met de jaren hè?’ Hij pakte zijn broodje van de tafel, ‘Maar Trees, daar begrijp ik geen reet van, je vergeet dit toch niet en je denkt er toch met nostalgie aan terug?’ Hij haalde zijn schouders op, groette en verliet de winkel. De pest is alleen dat ik Thérèse nooit meer terug gezien heb.

 

Oma

Geplaatst op 12 november, 2020 om 8:25 Comments reacties (0)

Oma

 

‘Dag bakker, ik kwam even zeggen dat oma dood is.’ Voor de toonbank stond een vrouw van midden veertig, halflang blond haar, een spijkerbroek en een lichtgrijs jack. ‘Oh dat spijt me, gecondoleerd,’ zei ik. De vrouw knikte dankbaar, ‘Ja het is toch nog heel snel gegaan, vorige week donderdag kreeg ze een beroerte en maandag is ze overleden.’ Ze zweeg even terwijl haar ogen vochtig werden. Ik pijnigde mijn hersens wie deze oma wel kon zijn. Gelukkig kwam op dat moment mijn vrouw de winkel in en die nam het gesprek al gauw over. Toen de vrouw weg was vroeg ik over welke oma het ging. Mijn vrouw beschreef haar en toen zag ik haar ook voor me. Een kleine vrouw met priemende ogen. Ze was geen gezellige klant. Zo zei ze een keer toen ik een Admiraalbroodje voor sneed, ‘Die kruimels die nu op jouw snijmachine liggen, die heb ik uiteindelijk ook betaald. Dat is voor jou pure winst, je houdt ze en ik betaal ervoor.’ Ik begon toen te lachen omdat ik dacht ze een grapje maakte maar zij reageerde pinnig met, ‘Ja je kunt daar wel om lachen maar het is wel zo!’ ‘Ik wil de kruimeltjes met alle plezier ook in het zakje doen, hoor,’ zei ik. ‘Daar gaat het niet om, wat moet ik ermee?,’ reageerde zij, ‘maar ik heb wel gelijk.’ Een andere keer wilde ze een halfje volkoren en toen ik het voor haar op de toonbank legde vroeg ze, ‘Mag ik dat andere halfje?’ Op mijn verbaasde blik zei ze, ‘Volgens mij geeft iedere bakker altijd eerst het kleinste halfje.’ Ik haalde mijn schouders en pakte het andere halfje, ‘Volgens mij zijn twee helften even groot, maar u kunt natuurlijk ook dit halfje krijgen.’ Ik legde opzettelijk het andere halfje er naast; ze waren precies even groot. Toen ik haar eens geld teruggaf waaronder een briefje van vijf vroeg ze of ik geen ander briefje had want dat deze wel heel erg gekreukeld was, wat een andere klant zo irriteerde dat hij vertwijfeld uitriep, ‘Mens zeik niet zo, als dat ding maar heel is. Je bent het toch zo weer kwijt.’ Mijn moeder zei vroeger al, ‘Sommige mensen klagen altijd en wanneer je ze gelijk geeft klagen ze omdat je ze het ongelijk hebt ontnomen.’

 

Trouw

Geplaatst op 26 oktober, 2020 om 6:20 Comments reacties (0)

Trouw


Benjamin en Arie stonden in de winkel met elkaar te praten. Ze waren beiden een jaar of zeventig, Benjamin woonde al heel lang in de Herculesstraat en Arie had een benedenwoning in de Sportstraat. ‘Wij hebben vroeger bij hetzelfde bedrijf gewerkt, bij het Parool,’ verduidelijkte Benjamin naar mij toe. Hij wendde zich weer tot Arie, ‘Hoe is het eigenlijk met je vrouw?’ Arie tuitte zijn lippen, ‘Ze is goed gezond, als je dat bedoelt. Alleen.., ik word haar wel een beetje zat. Soms wou ik dat alleen woonde, geen gezeur aan je kop, geen gemiep over allerlei zogenaamde kwaaltjes, gewoon lekker onbezorgd, snap je.’ Benjamin haalde zijn schouders op, ‘Ik ben nog steeds wel blij met Lizzy, het is natuurlijk wel geven en nemen maar ik ben blij dat we samen ouder kunnen worden.’ ‘Nou ik heb al een paar keer overwogen om een scheiding aan te vragen maar ik ben zo bang dat de kinderen het niet zullen begrijpen en haar kant kiezen. En dan ben ik ook het contact met de kleinkinderen kwijt. En juist daar van kan ik tenminste nog een beetje genieten.’ Hij schudde zijn hoofd, ‘We zijn vijfenveertig jaar getrouwd en eigenlijk is dat gewoon veel te lang. Je weet wat Wim Sonneveld ooit heeft gezegd, mijn vrouw is een mooi boek maar ik heb het uit! ’ ‘Nou, Wim Sonneveld lijkt mij nou niet echt de aangewezen persoon om over een relatie met vrouwen te oordelen. En ach, je bent toch ook aan elkaar gewend en aan elkaar gehecht, ik vind het niet erg om zo lang samen te zijn. Ik vraag me af of jij nog steeds zo denkt wanneer je iets gaat mankeren, ik denk dat je dan opeens weer heel blij met haar bent,’ reageerde Benjamin. Arie haalde wat onwillig zijn schouders op maar zei niets. Hij draaide zich naar de toonbank, ‘Ik wil graag een half wit en een half volkoren en kan ik misschien hier even naar het toilet?’ Ik had zijn brood al op de toonbank klaar gelegd toen Arie met een pijnlijk gezicht de winkel weer in liep. ‘Wat is er?, vroeg Benjamin bezorgd. ‘Ik zat met mijn velletje tussen de rits van mijn gulp,’ zei Arie met een benauwde stem. Ik hield met moeite mijn gezicht in de plooi maar Benjamin bulderde van het lachen. ‘Daar heeft mijn volk nou nooit last van,’ schaterde hij. Toen Arie had afgerekend en met een boos gezicht vertrokken was zei Benjamin met gedempte stem, ‘Het is altijd al een chagrijn geweest, dat was vroeger bij de krant al zo. Een miesgasser eerste klas, die lacht nog niet als hij een drol tegen het behang op ziet kruipen.’

 

De man

Geplaatst op 22 oktober, 2020 om 3:55 Comments reacties (0)

De man

 

De man zat op de bank voor de winkel. Het miezerde zachtjes maar gestaag maar de man scheen het niet te deren. Eind vijftig, schatte ik hem. Geen type zwerver, daar zag hij er te verzorgd voor uit. Een grijze broek, bruine geruite sokken, zwarte veterschoenen en een korte groene parka met veel zakken zoals je wel ziet bij boswachters. Zijn haar was peper- en zoutkleurig met een kale kruin waar hij het haar overheen gekamd had. Hij zat gebogen met twee ellebogen op zijn knieën en zijn handen gevouwen als was hij in gebed. Hij reageerde niet als er iemand langsliep. Toen hij er een uur later nog zat ging ik toch even bij hem kijken, ‘Goedemorgen, gaat het wel een beetje mijnheer?’ Hij hief zijn hoofd op, ‘Mag ik hier niet zitten?’ ‘Natuurlijk wel,’ zei ik, ‘maar ik kwam even kijken of u soms niet goed geworden was.’ De man schudde zijn hoofd, ‘Goed, wat is goed?’ ‘Ik kan u nu niet aanbieden om even binnen te komen zitten,’ zei ik verontschuldigend, ‘maar u wordt zo wel door en door nat.’ De man reageerde niet waarop ik maar weer naar binnen ging. Na een half uurtje stond hij op, schudde zich uit als een hond en kwam de winkel binnen. Hij vroeg om een kop koffie. Ik zette een meeneembeker voor hem neer en rekende af. Terwijl hij behoedzaam in zijn koffie roerde zei hij, zonder mij aan te kijken, ‘Onze zoon is twee weken terug overleden. Hij is vorige week begraven en wij horen het vanochtend pas via oude buren.’ Hij bleef verwoed roeren of er een kilo suiker in zijn bekertje zat, ‘Achtentwintig was hij, het schijnt dat hij kanker had. We hebben hem al acht jaar niet gezien of gesproken, twee dochtertjes heeft hij, die hebben we ook nog nooit gezien.’ Ik begreep dat ik niets hoefde te zeggen. ‘Ach man, ik weet niet of jij kinderen en kleinkinderen hebt maar dit is gewoon een klotesituatie.’ Hij zuchtte, ‘En het gaat altijd om geld…, zijn vriendin wilde dat wij twee ton gaven om een huis te kopen en toen wij dat weigerden vertrokken ze met slaande deuren.’ Weer zuchtte hij, pakte zijn bekertje van de toonbank en liep naar de deur, ‘Man, man wat een klotesituatie,’ zei hij nog maar eens, meer tegen zichzelf dan tegen mij. Toen hij weg was ging ik naar achteren om een dweil te halen, waar hij had gestaan had zich een hele plas gevormd.

 

Jaap

Geplaatst op 5 oktober, 2020 om 6:10 Comments reacties (0)

Jaap

 

Jaap droeg een mondkapje. Hij was een jaar of tweeënzeventig en woonde met zijn vrouw en hun labrador op de Stadionkade. Vroeger was hij accountant geweest en hij mocht graag met smaak vertellen over de klanten die hij vroeger had bijgestaan. Hij mompelde eerst iets wat ik vertaalde als goedemorgen, toen deed hij zijn bestelling. Ik verstond er werkelijk geen klap van dus vroeg ik om het even te herhalen. Hij probeerde het nu wat langzamer waaruit ik opmaakte dat hij een Kloosterbroeder wilde maar de rest verstond ik nog niet. Na nog wat gemurmel en vooral wijzen begreep ik dat hij nog twee croissants en twee gevulde koeken wilde. Omdat hij normaal altijd op maandag over het voetbal van het afgelopen weekend begon vroeg ik wat hij gisteren van Ajax vond. Jaap knikte maar wat hij zei was weer niet te verstaan. Ik begreep er geen barst van, de meeste mensen die een mondkapje droegen waren goed te verstaan en anders trokken ze het vaak even naar beneden om hun wensen kenbaar te maken en dan deden zij het kapje weer op z’n plaats. Ik zag aan Jaaps gezicht dat hij het zelf ook in de gaten, hij keek me boven zijn kapje geïrriteerd aan. Toen keek hij om zich heen, haalde verontschuldigend zijn schouders op en trok zijn mondkapje naar beneden. ‘Sorry hoor, Bert,’ zei hij, ‘mijn bovengebit is gebroken en ik dacht met dat kapje op ziet toch niemand het. Wist ik veel dat ik ook niet te verstaan ben.’ Zelfs nu, met zijn kapje naar beneden, klonk het of hij dronken was. Ik begon te lachen, Jaap lachte mee, het klonk als het hinniken van een paard. De volgende dag kwam zijn vrouw brood halen, ze vertelde dat Jaap ’s middags zijn gerepareerde gebit kon halen. En inderdaad kwam Jaap die dag erop weer zelf. Hij droeg geen mondkapje. ‘Hé geen mondkapje?,’ vroeg ik. ‘Waarom,’ reageerde Jaap, ‘het is niet verplicht en mijn gebit is weer heel.’

 

Aardig

Geplaatst op 2 oktober, 2020 om 5:40 Comments reacties (0)

Aardig

 

Mevrouw Warder bestelde haar gebruikelijke halfje panbruin. Ze woonde twee straten verderop, was eind vijftig en had een gezicht dat altijd misprijzend de wereld in keek. Mijn vader noemde dat vroeger een gezicht van oude lappen. Ze was, zoals altijd, gekleed in het bruin met een paar herenschoenen er onder. Ze snoof door haar neus, ‘Mijn onderbuurmeisje zei gisteren tegen mij dat zij mij niet aardig vond. Nou ze moest eens weten hoe ik over hun denk.’ Ik kende haar onderburen en ook het dochtertje, een leuk meisje van een jaar of acht dat mij opa bakker noemde. ‘Ach, kinderen flappen er zo veel uit, daar zou ik niet te veel aandacht aan schenken,’ meende ik. Mevrouw Warder kneep haar toch al dunne lippen nog stijver op elkaar, ‘Het interesseert me totaal niet of iemand mij aardig vindt of niet. Dat is typisch iets van deze tijd, iedereen wil maar aardig gevonden worden. Nou ik niet hoor, het interesseert mij helemaal niets. Ieder jaar geeft dat stel een barbecue en ieder jaar zitten ze dan tot één uur in de tuin. En maar praten en maar stinken. Ieder jaar ga ik klagen maar denk je dat helpt? En dan denken ze dat ze slim zijn en nodigen ze mij ook uit, nou ik prakkiseer er natuurlijk niet over. Of dat nou aardig is of niet. Ik hoef niet aardig gevonden te worden, sterker nog ik zou het niet eens willen.’ ‘Nou ja,’ opperde ik voorzichtig, ‘het is toch ook niet leuk wanneer iedereen een hekel aan je heeft.’ ‘Het maakt mij geen donder uit, denk jij dat koningin Wilhelmina zich ooit heeft afgevraagd of ze wel aardig gevonden zou worden?’ ‘Tja, maar toen hadden we nog echt een feodale maatschappij, dat is toch niet meer te vergelijken met onze tijd,’ wierp ik tegen. Mevrouw Warder trok haar wenkbrauwen op, ‘Nou ik ben niet van plan om hier over te discussiëren met een bakker.’ Ik vond het allang best, begin er dan niet over dacht ik bij mijzelf. Ze pakte haar halve broodje van de toonbank, ‘Jij zult mij heus niet aardig vinden en ik vind jou ook niet aardig, want waarom zou ik, maar je brood is goed en daarom kom ik hier. En zo hoort het ook.’ Ik lachte vriendelijk, ‘Ik wens u toch een hele fijne dag.’ ‘Ja ja, dat zal wel,’ was het antwoord.

 

Sven

Geplaatst op 21 september, 2020 om 6:05 Comments reacties (0)

Sven

 

Sven stond in de winkel, een goedlachse jongen van negen jaar, lang voor zijn leeftijd en getooid met een witte bos haar. Hij kwam tegenwoordig vaak alleen en een tufsteker was bij de familie het favoriete broodje. Ik gaf hem zijn broodje toen hij me vroeg, ‘Bakker, wat was er honderd jaar geleden nog niet en nu wel?’ Ik haalde mijn schouders op, ‘Tja dat kan zo veel zijn… een computer misschien.’ ‘Nee hoor,’ lachte Sven, ‘jij en ik!’ Ik lachte ook wat voor Sven aanleiding was nog even door te gaan, ‘Als je midden op een brug staat en aan de ene kant staan twee poema’s en aan de andere kant staat een jaguar wat zou jij dan doen?’ Ik wist het niet. ‘Nou je trekt eerst de puma’s aan en dan rijd je weg in de jaguar!’ Zijn jongenskop glunderde. Toen hij zag dat er geen klanten achter hem stonden besloot hij er nog een tegen aan te gooien, ‘Weet jij hoeveel letters het alfabet heeft?’ ‘Zesentwintig?,’ antwoordde ik vragend. ‘Nee hoor, twintig! Want de cd’s zijn uitverkocht, de KLM is weggevlogen en de thee is opgedronken!’ Inmiddels was Linda binnen gekomen met haar dochtertje Vlinder, een meisje van acht met een mooie paardenstaart. Zij hadden de laatste grap van Sven gehoord en lachten mee. Toen vroeg Vlinder aan Sven, ‘Wat zegt de ene ballon tegen de andere als ze in de woestijn lopen?’ Sven had geen idee, ‘Kijk uit voor die cactussssss,’ lachte Vlinder. Omdat ze licht sliste klonk het nog grappiger.


Ik dacht terug aan mijn eigen tijd op de lagere school, ook toen wemelde het van de flauwe, onschuldige grappen waarmee je echter wel -zo bemerkte ik al gauw- heel populair werd bij de meisjes. Tot ik echter tijdens een speelkwartier -zo werd de pauze toen nog genoemd- Coby, het mooiste meisje van de klas kuste. Hoewel zij het wel prettig leek te vinden ging ze, op aandringen van haar vriendinnen, later toch naar de juf om over mij te klagen. Juffrouw van Hees was een al wat oudere en verstandige onderwijzeres. Ze heeft mij er nooit op aangesproken en – mijn grootste angst- ook nooit wat tegen mijn moeder gezegd hoewel zij toch dagelijks bij ons in de winkel kwam.


Vlinder keek mij lachend aan, ‘Weet jij hoe ze een olifant uit het water halen?’ Ik veinsde het antwoord niet te weten, ‘Met een hijskraan?’ ‘Nee hoor, nat!,’ gierde Vlinder het uit.

 

Thijs

Geplaatst op 10 september, 2020 om 5:15 Comments reacties (0)

Thijs

 

‘Bert ik ga even hier voor op het bankie zitten, kan jij zo een tosti en een cappuccinootje brengen?’ Met een plof liet Thijs zijn logge lichaam op de bank voor de winkel vallen. Hij was een kilo of honderdtwintig, tweeënzestig jaar en vroeger vuilnisman geweest. Tegenwoordig haalde hij woningen leeg of schuren, zolders, garageboxen en dergelijke. Soms in opdracht van een huiseigenaar maar meestal in opdracht van een familie na een sterfgeval. De rommel bracht hij naar de vuilstort en wat nog enige waarde had ging naar een bric-bracwinkel. Zelf kon hij amper meer bukken of tillen maar hij had een legertje studenten die hij altijd kon inschakelen. ‘Nog interesse in een setje bijzettafeltjes?’, vroeg hij toen ik zijn bestelling bij hem neerzette. Hij liet op zijn mobieltje een foto zien van drie zware eiken tafeltjes zien. ‘Echt Oisterwijk,’ zei hij. Ik bedankte. ‘Een mooi ledikant hoef je zeker ook niet? Misschien wil je vrouw nou eindelijk wel eens apart slapen.’ ‘Welnee joh, we hebben al jaren een stapelbed,’ zei ik lachend. Thijs grijnsde terwijl hij zijn koffie roerde. ‘Al die eiken meubeltjes zijn geen moer meer waard, jongen. Niemand wil er meer bijzitten zoals opa en oma. Stookhout is het, meer niet.’ Hij nam een grote hap van zijn tosti. ‘Wel een heel leuk wijfie,’ zei hij met volle mond, ‘het is de woning van haar oma,in Amstelveen, die ik leeg moet halen en het is een echt een leuke meid en ook echt mooi. Een jaar of vijfendertig denk ik, maar gewoon vriendelijk weet je wel. Zet een bakkie koffie en zo, nee dat maak je wel eens anders mee.’ Ik knikte en liep de winkel weer in. De volgende dag klopte Thijs op de bakkerijdeur, ‘Hier,’ zei hij, mij een blauwe glazen vaas in mijn handen duwend, ‘dat vind jouw vrouw vast wel mooi.’ Twee weken later kwam hij al om half zeven in de winkel. ‘Weet je nog van dat huisie in Amstelveen dat ik leeg moest halen?’ Ik knikte bevestigend, ‘Ja bij die aardige meid.’ Thijs ontplofte bijna, ‘Aardige meid? Een secreet dat is het! Heb ik dat hele huisie leeg gehaald, tot de vloerbedekking aan toe, alle gaatjes in de muren netjes dicht geplamuurd kortom het zag er gelikt uit, en wat denk je… weigert dat wijf me te betalen! Je hebt al genoeg waardevols meegenomen zegt ze.’ Hij schudde vertwijfeld zijn hoofd, ‘Waardevols…, het meeste kon zo naar de stort. Maar ja, wat moet je nou? Procederen? Dan ben je meer aan een advocaat kwijt dan dat het oplevert.’ Hij haalde eens diep adem, ‘Ja Bert, een vrouw is net een paddenstoel, als je de verkeerde treft ga je er aan kapot!’

 

Beledigd

Geplaatst op 4 september, 2020 om 7:10 Comments reacties (0)

Beledigd

 

Een meisje van een jaar of twee, drie kwam met haar moeder de winkel in. ‘Hoi, wat heb jij een mooie jurk aan,’ zei ik tegen haar. Het meisje glunderde, maar haar moeder was not amused. ‘Dat zou je ook niet zeggen als zij een jongen was, dus het is hoe dan ook seksistisch.’ Ik kende de moeder niet, zij was achter in de twintig, had halflang blond haar en een ontevreden blik. Zij droeg een spijkerbroek met gaten en een wit, ruimvallend shirt. Ik keek eerst even of zij het grappig bedoelde maar zag al snel dat dat niet het geval was. ‘Nou, je ziet ook weinig jongens in een mooie jurk,’ zei ik, ‘maar dan zeg ik ook wel eens wat heb je een mooie pet op of iets dergelijks.’ ‘Het blijft een stomme opmerking, en juist in deze tijd zou je toch mogen verwachten dat een man weet dat dit echt niet meer kan,’ vond zij. Ik voelde de irritatie in me opkomen. ‘Sommige mensen zijn wel erg snel op hun teentjes getrapt tegenwoordig, ik bedoel er verder niets mee en je moet niet overal iets achter zoeken. Nog even en niemand durft nog iets te zeggen, nou dan heb je een lekkere samenleving…’ De moeder was niet overtuigd, ‘Juist dat het blijkbaar onbedoeld is maakt het zo gevaarlijk. Jij vindt het heel gewoon om zoiets te zeggen en daardoor veranderd er niets. Want wat voor jou geldt, geldt voor de hele maatschappij. Het is allemaal zogenaamd goed bedoeld, en je hebt het als vrouw allemaal maar te slikken. Die mentaliteit moet er gewoon uit! Denk eens na voor je wat zegt. Realiseer je eens hoe het bij een ander overkomt…, maar ja bij jouw generatie zal dat wel nooit meer goedkomen.’ Ik haalde even diep adem en zei toen rustig, ‘Ik heb helemaal geen zin in deze discussie en ik heb al helemaal geen zin om al mijn woorden op een goudschaaltje te wegen. Sterker nog dan krijg je volgens mij een afschuwelijke samenleving. Ik ben tegen het beledigen van wie dan ook, maar ik wil in mijn winkel ook graag een prettig sfeertje hebben dus een grapje of een vriendelijke opmerking moet altijd kunnen.’ ‘Maar niet als zo’n zogenaamde vriendelijke opmerking beledigend, seksistisch, of racistisch is,’ was haar bitse antwoord. Ik schudde mijn hoofd, ‘Zoals ik al zei, ik heb hier geen zin in. Nou, kom op wat wil je hebben?’ ‘Wat dacht je van excuses?,’ vroeg ze. Ik keek haar verbijsterd aan, ‘Nou sorry hoor, maar ik zou niet weten waarvoor.’ De vrouw nam haar dochtertje bij de hand en liep de winkel uit. Het meisje zwaaide en lachte vrolijk naar me. Ik zwaaide lachend terug, er gloorde toch nog hoop.

 

Stella

Geplaatst op 24 augustus, 2020 om 8:05 Comments reacties (0)

Stella

 

Er kwam een echtpaar wat kibbelend de winkel binnen. Ze woonden om de hoek, hij heette Jos en zij Karin. Hij was sinds een jaar of drie gepensioneerd gemeenteambtenaar en zij was een jaar geleden gestopt met haar pedicure aan huis. Ze liepen tot aan de toonbank en Karin keek mij hoopvol aan, ‘Wat vind jij nou Bert, ik word volgende week zestig en nou vroeg ik als verjaarscadeautje een elektrische fiets. Sinds Jos gestopt is met werken maken we regelmatig een fietstochtje en dan lijkt een elektrische fiets mij gewoon makkelijk.’ Ze haalde even diep adem. ‘Hij zegt dat ik al aardig een oud wijf begin te worden,’ zei ze, Jos een boze blik toewerpend. Jos vond het blijkbaar tijd om zich te verdedigen, ‘Ik vind haar nog veel te jong voor zo’n ding. Een elektrische fiets is het begin van de aftakeling.’ Karin’s ogen werden donkerder, ‘Waar slaat dat nou op?’ Ze keek mij vragend aan. ‘Ik heb werkelijk geen idee,’ zei ik, ‘ik heb nog nooit op zo’n fiets gereden dus ik kan daar niets zinnigs over zeggen.’ ‘Nou het begint met een elektrische fiets, dan volgt de rollator en het eindigt in een rolstoel,’ zei Jos met een ongeduldige ondertoon in zijn stem. Ik besloot net te doen of het grap was, ‘Ja en dan ben je een wandelstok nog vergeten. En je hebt natuurlijk ook nog de scootmobiel en dan eindigen jullie uiteindelijk samen in zo’n vijfenveertig-kilometerkarretje.’ Jos begon ook te lachen maar Karin zat het nog steeds hoog, ‘Je ziet verdomme al kinderen van de middelbare school die met zo’n fiets rijden en dan zal ik daar nog veel te jong voor zijn.’ Ik had natuurlijk veel liever dat ze deze discussie thuis zouden voortzetten en vroeg, ‘Een turfsteker zeker,’ onderwijl het broodje vast in de snijmachine leggend. Jos knikte. Karin gaf het nog niet op, ‘Mijn vader was vijfenveertig toen hij een Solex kocht en hij was maar wat blij dat hij niet meer hoefde te fietsen.’ Jos schudde zijn hoofd, ‘Maar die moest iedere ochtend met de fiets naar zijn werk. Door weer en wind, terwijl wij alleen gaan fietsen als het mooi weer is. Dat is nogal een verschil.’ Karin wierp demonstratief haar haren naar achter en rekende af. Elkaar niet aankijkend verlieten zij de winkel.

 

Twee weken later vroeg Karin, Én hoe vind je m’n Stella?’ Ik keek naar buiten en zag daar een mooie elektrische fiets staan. ‘Hij ziet er schitterend uit,’ prees ik. Karin glunderde. Tot mijn grote verbazing zag ik echter een maand later Jos een nieuwe elektrische fiets voor de winkel zetten. Ik zei niets maar keek hem vragend aan. Hij haalde verontschuldigend zijn schouders op, ‘Ja Bert, Karin lekker een beetje freewheelend naast me rijden en ik me het schompes trappen. Ik ben gekke Henkie niet.’

 


Rss_feed